Friday, February 15, 2013

It helps if you believe





Driving me crazy
Toen ik de mooie leeftijd van 18 jaar bereikte moest en zou ik mijn rijbewijs halen, koste wat kost, zoals de meesten van ons willen doen op die leeftijd. En wat heeft het veel gekost en wat had ik een hekel aan rijles. 
Vriendje lief hielp me bij het oefenen met parkeren. Mijn lieve ouders deden ook wat ze konden om me te helpen. Ik trok al snel de conclusie dat ik niks bakte van auto rijden en dat autorijden niet voor mij gemaakt was.

And then I met an angel, one that heaven sent
Op een gegeven moment kwam ik bij hem in de auto terecht en toen veranderde alles.  'Verman jezelf!, blafte hij. Hij was een wat oudere, donkere, lange man met een kalende, grijze kop en strenge ogen. Hij was constant aan het praten en hij vond het nodig om constant God erbij te halen. Wat heeft God hiermee te maken, vroeg ik me af, maar toch probeerde ik de lessen te leren die hij me wou bijbrengen.

Hij was mijn tweede rijlesinstructeur, mijn tweede kans, mijn schone lei, nadat ik bijna een jaar lang mijn rijbewijs had geprobeerd te halen. Na bijna een jaar  maakte ik nog steeds de ene fout na de andere en op een bepaald moment kon ik de straat niet meer goed zien door mijn tranen met tuiten. Ik beschouwde mezelf als een gevaar op de weg.

Dit had ik aan mijn pessimisme maar ook aan Micheal te danken, een jonge vent van rond de 25 jaar. Erg gezellig, dacht ik aan het begin. Hij hield van praatjes maken. Hij was constant met zijn telefoon aan het klooien of staarde uit het raam naar de 'mooie' vrouwen. Ik slikte de woorden die op mijn tong lagen in. Waarschijnlijk wou hij niet aan zijn vriendin en kinderen herinnerd worden. Hij was altijd in voor gezelligheid maar het leek hem weinig te schelen of ik mijn rijbewijs haalde of niet terwijl mijn ouders wel steeds geld moesten neertellen voor de rijlessen, waar geen eind aan leek te komen.

Failure to launch
Ik baalde toen ik mijn eerste rijlesexamen niet had gehaald. Ik had bepaalde papieren thuis laten liggen waardoor de hele boel niet doorging. Degene die me hieraan had moeten herinneren was dit vergeten.De eerste keer gezakt dus, zonder een kans te krijgen. Ik dacht dat ik gek werd.

De  tweede keer zakte ik doordat ik zat te dromen.  'Het licht is groen. Ben je gek geworden ofzo? Doorrijden.', schreeuwde het dikke, donkere. kleine vrouwtje dat naast me zat. 'En rijd maar meteen weer terug naar het rijbewijsbureau.'  De tranen sprongen uit mijn ogen.
Die poging was vanaf het begin gedoemd te mislukken. De zenuwen gierden door mijn lijf toen ik in de auto stapte. Ik had gehoord dat deze vrouw heel streng was. 'Als je die vrouw je examen afneemt dan zak je zeker!', had ik horen zeggen. Gefaald dus, al weer.

Nieuwe man, nieuwe kansen.
Ik zag het niet meer zitten. Het zou me nooit lukken. Toch leek deze man wel in mij te geloven.
We hebben meer gepraat dan dat ik daadwerkelijk heb gereden, tijdens de rijles. Aan het begin had ik geen zin in therapie en stond ik er niet voor open, maar het  hielp. Mijn negatieve gedachten vlogen langzaam maar zeker het raam uit en ik begon weer in mezelf te geloven.

Ik zal hem altijd dankbaar zijn en ik zal zijn woorden nooit vergeten.
Als je denkt dat je het niet kan, dan kan je het niet.', zei hij. 'En als ik niet in je zou geloven zou ik niet met je in deze auto zitten, maar je moet ook geloven in jezelf, anders lukt het niet.' 
Twee weken later haalde ik mijn rijbewijs. 

Moraal van  het verhaal:
Iedereen in je leven kan een verschil maken, of het nou je familie is, een (vaag) bekende of een vreemde die je tegenkomt op straat. Iedereen kan je reddende engel zijn.  Maar niemand kan je helpen als je jezelf niet probeert te helpen. En dit doet me denken aan de woorden die een wijze vrouw meer dan eens tegen me heeft gezegd: 'Niemand kan je helpen als je zelf niet geholpen wilt worden.'





Monday, February 11, 2013

Sempre la stessa storia

Ik liep de gang op en opende de deur, maar in mijn gedachten negeerde ik de bel en liet ik hem buiten staan. Ik schuifelde voor hem uit naar mijn kamer en bleef een tijdje voor mijn deur staan. Op dit moment was het vast de bedoeling dat ik hem binnenliet. Moet het nou echt, kunnen we dit niet even op de gang afhandelen,   vroeg ik mezelf af. ‘Mag ik binnenkomen?’, vroeg hij. ‘We moeten praten.’, daar vreesde ik al voor. Zo ging het dus altijd. Hij was niet simpelweg gekomen om de spullen die ik in zijn kamer had laten liggen aan mij te overhandigen.
There comes the drama, dacht ik.

Hij deed heel geheimzinnig en leek wat nerveus. Ik wou de zak aannemen die hij in zijn hand had maar dit mocht nog niet. 'Daar was het nog geen tijd voor’, zei hij, met de nadruk op nog.  Ik begon me zorgen te maken. Dit voorspelde niet veel goeds. Ik had al zo'n vaag vermoeden hoe dit zou aflopen.

“Ik ben net bezig eten voor te bereiden”, zei ik. Dit was geen leugen maar een smoesje om weg te vluchten. Ik vluchtte naar de keuken. ‘Ik wacht wel.’, zei hij. Ja natuurlijk zou hij wachten.
Ik warmde mijn eten op en bleef ondertussen in de woonkamer rondhangen en luchtte mijn hart bij mijn huisgenoten. Ze wensten me succes toen ik met tegenzin terugkeerde naar de kamer.

Daar zat  hij. Hij was precies hetzelfde als toen ik hem had leren kennen maar nu was hij niet de vrolijke jongen maar de verdrietige en nerveuze jongen die ik van hem gemaakt had. Ik voelde me schuldig maar ik voelde me vooral geïrriteerd. Waarom deed hij dit? Waarom kwam hij hier om mij mezelf slecht te laten voelen over wat ik hem had aangedaan door trouw te zijn aan mijn gevoelens, die ik niet kon veranderen.

Medelijden houdt een relatie niet staande. Als ik een les heb geleerd, is het dat wel.

Hij reikte mij de zak aan. Dit was geen zak gevuld met de spullen die ik in zijn kamer had laten slingeren. Ik zag een heleboel cadeautjes liggen in blauw inpakpapier. Ik beleefde een dejavu. 

Dit zouden weer nieuwe herinneringen zijn aan een gebroken hart. Een hart dat ik had gebroken. Geweldig. Hier zou ik vannacht heerlijk door slapen en bij het drinken van een kopje thee in het mokje dat ik van hem heb gekregen zou ik verplicht aan hem moeten denken. Daarna zei hij tegen mij dat hij het liefst niks van mij in zijn kamer wilde hebben omdat dat hem aan mij herinnerde. Wat ironisch.

Ik heb het weer mooi voor elkaar. Zijn ogen werden glazig en zijn stem werd nog hoger dan normaal. Wat irriteerde ik me de laatste tijd aan die stem. Ongelofelijk dat ik het zo’n lange tijd heb aangehoord zonder me eraan te storen, behalve aan de  telefoon dan, want wat bleek: Dat hij ontzettend hield van bellen en wat heb ik daar toch een hekel aan.

Ook bombardeerde hij me met chocola, melk of wit maar niet puur, mijn favoriet en de gezondste soort. Zoals de meeste vrouwen let ik wel een beetje op mijn lijn, meer af dan toe dus echt blij werd ik niet van een gigantische chocoladereep en een grote zak M&M’s . Zo goed kende hij me dus.
Wat hij niet weet is dat ik, zodra hij de deur uit was, al het chocola oppakte en naar de keuken meenam. Mijn huisgenoten zouden vast wel blij zijn met een stukje overheerlijke chocola.

Hij greep mijn hand vast en bleef  een vinger vasthouden. De rest van mijn hand had ik losgetrokken. Ik gaf hem daarmee de mogelijkheid om dramatisch te zijn. En zo dramatisch als het maar kon 'liet hij mij gaan'. 

Ondanks dat 'hij mij liet gaan' bleef hij nog even zitten. Ik wist niks meer te zeggen, behalve dat het me speet. Ik worstelde met mijn gevoelens, geen van allen positief.

‘Ik zal met je meelopen naar de deur.’ Hij wilde niet weg. ‘Je moet nu echt gaan.’ 
Je kan dus zeggen dat ik hem letterlijk de deur uitduwde.

Wat ben ik toch gemeen.  Dat zeggen ze allemaal.
Maar ik ben er klaar mee. Ik ben het gewoon spuugzat.
Steeds weer hetzelfde verhaal.




Un lès importante

Un les importante

Te ku poko dia pasa
bo por a enkontrami
ku mi bòter di bibida duru brasá
sintá bou di palu ta kabisha

 Riba un dia bunita
despues di un ratu, ku mi wowonan será
m’a bula lanta
di un momentu pa otro
mi kurpa a kuminsá ta grawatá

M’a kunsumi
bulando di un pa otro pia
grawatando aki
grawatando aya
tur mi esfuerso por nada

M’a bai kas
ku un kurpa tur kora
ku ta pika di tur banda,
i m’a disidí
ku nunka mas
mi no ta kabishá
bou di un palu di manzaliña.

Wednesday, February 6, 2013

de Antilliaanse man


Ik zit op een stoeprand met mijn laptop op mijn schoot. Ik vraag mezelf af of het geen beter idee is weer het gebouw in te lopen en in mijn moeders kantoor de komst van mijn vader af te wachten. Toch blijf ik buiten zitten om van de zon en de wind te genieten.

Ik wacht ongeduldig af totdat ik opgehaald wordt.

Er lopen ondertussen  rare mannelijke figuren langs. Ik staar in het mannelijke gezicht van een persoon die me vanaf de overkant van de straat al een lange tijd in de gaten houdt. Ik slaak een zucht van opluchting als deze man na veel aarzelen in zijn auto stapt en wegrijdt. Ik weet zeker dat hij stond te popelen om mij mee te nemen. Hij groette toen hij naar zijn auto liep. Ik groette met veel argwaan terug. Afgrijzing en angst waren duidelijk te horen in mijn stem.

Twee mannen reden net langs en wenkten naar me. Er loopt een rilling over mijn rug.

Daar is mijn vader! Het rustgevende geluid van zijn muziek klinkt uit de radio. Mijn vader en broer groeten mij opgewekt en ik neem plaats op de achterbank.
Nu hoef ik me geen zorgen te maken over de mogelijkheid ontvoerd te worden door een vuile, vieze pedofiel. Misschien dachten ze dat ik achterlijk was doordat ik voor het gebouw van de Psychiatrisch Maatschap Antillen zat, terwijl ik daar werk. Dit laatste wisten ze natuurlijk niet. Ze dachten natuurlijk aan dat wat hun het beste uit zou komen.

Zielig geval ben ik he? Ik denk dat er wel meer vrouwelijke zielige gevallen, zoals ik zelf , op dit eiland rondlopen.
Dit gebeurd nu eenmaal als je als vrouw,  met wat voor uiterlijk dan ook, op Cuaçao woont. Je krijgt een hekel en een groot afgrijzen voor vreemde mannelijke figuren die je op straat tegenkomt.
Op het moment dat je in de verte een man ziet naderen bereid je je mentaal en lichamelijk voor op wat er gaat komen.
Door je hoofd spoken verschillende gedachten : Doorlopen, vooral geen oogcontact maken, negeer wat hij tegen je gaat zeggen. Hopelijk probeert hij me niet aan te raken.

Wanneer je langs de mannelijk figuur loopt kijk je heel opvallend de andere kant op en hierbij versnel je jouw pas.
Wanneer het langs lopen achter de rug is loop je opgelucht verder. Je durft hierbij zelfs te huppelen. Je durft weer adem te halen. Zonder het te beseffen heb je deze de hele tijd ingehouden. 
Je bent je ervan bewust dat je dat is een routine is die je nog veel vaker op de dag zal moeten herhalen. Op een gegeven moment wordt je zelfs een professionele vieze, vuile Antilliaanse mannen negeerder.
Achteraf zijn deze gebeurtenissen best vermakelijk maar op dat moment zou je die mannelijke figuren wel kunnen schieten.
Traumatisch? Zeg dat wel.





Noem mij gerust conflictvermijdend


Vanmorgen werd ik wakker met gemengde gevoelens.
Ten eerste was ik opgewonden omdat ik weer op pad zou gaan naar mijn vriend, die niet om de hoek woont.
Ten tweede was ik blij omdat ik een hele dag zou doorbrengen in het huis van mijn vriend.
Ten derde was ik nerveus omdat ik een hele dag zou doorbrengen in het huis van mijn vriend.

Nerveus, waarom in hemelsnaam, zou je denken? Kwam het misschien door de verliefde kriebels? Helaas.  De bewoonster van dat huis heb ik nooit goed gekend, maar ze is wel zeer berucht. Mijn vriend liet haar moeder klinken als een monster en zo ver ik haar had mogen leren kennen leek dit ook echt zo te zijn.
Ze had me al eerder opgebeld en ze had me uitgescholden over het gedrag van haar zoon, iets  waarop ik matig tot geen invloed heb omdat het een koppige jongen is die alles doet wat hij wil en niet zo zeer denkt over wat de anderen in zijn omgeving hiervan vinden. 
Hij, als man des huizes treedt hard op tegen zijn moeder. Hij en zijn moeder onder één dak, dat vraagt om problemen. En ik wist dat er altijd spanning heerste maar toch waagde ik me op een mooie dag in de hol van de leeuw.
Hij had me gewaarschuwd dat zijn moeder ruzie zou uitlokken juist omdat ik er bij zou zijn. Ik had hem gewaarschuwd dat hij zich moest gedragen als ik langs kwam omdat ik niet midden in een ruzie terecht wou komen. Maar midden in een ruzie terecht komen bleek onvermijdelijk.

Zijn moeder begon, kort nadat we in het huis arriveerden. Ze noemde hem waardeloos en lui. En vertelde me dat zij het huis aan het schoonmaken was en alles moest doen omdat haar zoon zo lui was. Hoe kon ze dit zeggen waar ik bij was? Het erge is dat dit niet eens zo ongeloofwaardig overkwam. Ik kan me er best iets bij voorstellen.
Natuurlijk pikte mijn vriend dit niet. Hij zou haar niet over hem heen laten lopen maar hij had vooral totaal geen respect voor haar, zoals kinderen dat horen te hebben voor hun moeder, omdat zij, volgens hem, toch niet als zijn moeder aanvoelt.

Zij noemde hem boerenknecht. Hij noemde haar slaaf. En ze maakten er nog veel meer woorden aan vuil.
Ik schudde zo onopmerkelijk mogelijk mijn hoofd, liet mijn hoofd zakken en richtte mijn betraande ogen naar de grond. Hiermee zou ik nooit kunnen leven. Dit waarin ik me bevond was gewoon regelrechte waanzin. 
Opeens werd het woord tot mij gericht op een toon die ik al vaak genoeg had gehoord. 'Hij is lastig he?' Nu probeerde ze me tegen mijn eigen vriendje te keren. Ik wist niet wat ik hoorde. Dit leek wel een strikvraag. Ik mompelde een toestemmend antwoord. Op dat moment was ik ook best geirriteerd omdat mijn vriend zich uit zijn tent had laten lokken.  Maar ik gaf dit antwoord vooral om niet brutaal over te komen. Om eerlijk te zijn, ben ik wat bang voor zijn moeder en probeerde ik zo goed en zo kwaad als het ging een goede indruk op haar te maken.

‘Ga limoenen persen voor haar.’ Naar zijn smaak waren de limoenen niet goed. Uiteindelijk deed hij het. ‘Veeg de vloer en laat je meisje zien dat je ballen hebt.’ Hier had hij blijkbaar geen zin in want hij reageerde niet eens op wat zijn moeder zojuist had gezegd. Terecht. Ik vond het niet om aan te horen.
Etenstijd brak aan. De tijd was omgevlogen. We namen plaats aan tafel ‘Ga een glas water voor je vriendin inschenken, je hebt echt geen manieren’ ,brulde zijn moeder.
Hij zette een beker ijs met een klap voor me neer en daar moest ik het mee doen. Ik bracht de beker naar mijn mond en begon zonder te klagen op de ijsblokjes te kauwen. Daarna begon ik stilletjes het eten dat zijn moeder voor me had opgeschept naar binnen te werken. Zij nam zelf plaats op een bureaustoel en schoof deze voor de tv.
Waarschijnlijk heb ik in haar ogen op een uitgehongerde eindeloze put geleken want de hoeveelheid eten die in mijn bord lag was wat overdreven veel. Maar ik gaf geen kik. Noem mij gerust conflictvermijdend. Toch had zijn moeder het door :’ Hoe kan je haar alleen een beker met ijsblokjes geven?!’ Nu werd hij boos. Zijn stem schalde door het huis:’ We zijn hier thuis. Niet in een hotel!’ Dit was voor mij de druppel.
Als hij nu bij mij thuis kwam of in een hotel, altijd had ik gezorgd voor alles wat hij nodig had. Genoeg eten voor hem in huis hebben was misschien een uitzondering omdat ons huishouden niet is voorbereid op mensen met een gigantisch grote eetlust. Ik voelde me altijd zeer goed als hij me achteraf bedankte en me lief noemde omdat ik zo veel voor hem had gedaan.

Ik zei dat het geen probleem was dat ik geen water had maar voordat ik het wist was zijn moeder al naar de keuken gestampt en had een beker ijs mèt water voor me gebracht. De uitdrukking op het gezicht van mijn vriend was naarmate de dag was verstreken veranderd van kwaad naar erger.

Zijn moeder vroeg op een aardige toon of het eten aangenaam smaakte. Ik zei, zo beleefd mogelijk, dat het erg goed smaakte. Ik loog niet. Ik had alleen wat moeite met het naar binnen schrokken van de twee grote stukken, gortdroge, zoete aardappel.
Net toen ik het gevoel had dat ik op het punt stond om te ontploffen nam mijn vriend het bord van onder mijn neus vandaan en liep ermee naar de keuken. Ik volgde hem kort nadat ik een blik op zijn moeder had geworpen om er zeker van te zijn dat zij niet doorhad dat ik haar eten niet heb opgegeten.  ‘Je hebt het niet aan de honden gegeven hè, maar in de vuilnisbak gegooid?’vroeg ik na een blik te werpen in de hondenbak. ‘Ja, natuurlijk heb ik het weggegooid’, zei hij. Zonde,dacht ik .

Mijn vriend kon niet doen alsof hij dankbaar was voor het eten dat zijn moeder voor ons had bereid. Hij moest het duidelijk maken dat hij het de vorige dag ook al had gegeten. Dit vond ik zeer ondankbaar.
Zijn moeder schreeuwde hem soms bij zich en vroeg hem om iets voor haar te doen. Nee, je kon het geen vraag noemen, maar een bevel. Deze bevelen voerde hij vaak wel uit na een uiterst geïrriteerd gezicht erbij te trekken en er hard bij te zuchten.
Op een gegeven moment stond hij voor zijn moeder de muur in de keuken te verven en bood hij me de beste bureaustoel aan, zodat zijn moeder niet zou zeuren.

Zijn moeder moest zich er natuurlijk mee bemoeien, ook al zou ik ook even zijn gaan kijken. En toen ik het resultaat zag wat op de muur achterbleef dacht ik aan mijn vader die hem al lang een lesje had geleerd als hij hem zo bezig had gezien.
Mijn vriend veegde de borstel heel nonchalant kriskras over de muur. Op sommige plekken bekladderde hij de muur met overtollig veel verf en op andere plekken kon je zien hoe de oude verf nog door de witgekalkte muur scheen.
Ik sprak hem er voorzichtig op aan. Hij reageerde door geirriteerd te zeggen dat het hem niet kon schelen hoe hij verfde en dat zijn moeder het zelf maar moest doen als ze er niet blij mee was.
Zijn moeder verscheen kort daarna in de keuken en observeerde haar werkende zoon een tijdje ‘Hij deugt toch wel voor iets hè?’ zei ze op een plagende toon tegen mij.
Dit was genoeg om hem boos te maken. Hij schreeuwde tegen haar om geen slechte dingen meer over  hem te zeggen. Zij schoot toen keihard in de lach om haar 'oh zo grappige zoon'.

Later vroeg hij me om hulp bij het ophangen van wat kleren. Ik wou hem graag helpen maar ik merkte al snel dat het maar op twee broeken ging die opgehangen moesten worden.
Dit vond ik raar en daarna merkte ik dat er nog een mand kleren lag, die ik ook besloot op te hangen. Mijn vriend bemoeide zich ermee. 'Deze is niet van mij. Deze ook niet en deze ook niet.', hoorde ik hem zeggen terwijl hij de kleren uit de ene wasmand viste en in de andere gooide. Wat doe je?’ vroeg ik toen aan hem, met een vaag vermoeden. ‘Ik gebruik geen drie lakens’, zei hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat hij weigerde ook het wasgoed op te hangen die hij niet zelf had gebruikt. Dit irriteerde me mateloos. 
Ik bleef tamelijk rustig en probeerde hem te overtuigen deze kledingstukken toch op te hangen.
Toen merkten we opeens dat alle kleren in die wasmand al droog waren. Voor mijn vriend was dit een grote opluchting.  ‘Ik ben klaar!’, riep hij op een vrolijke toon naar zijn moeder, toen we het huis weer binnen liepen.

Rond 3 uur ’s middags kreeg iedereen zin in ijs. En met z'n tweetjes gingen wij dus op pad om ijs te kopen bij een mevrouw die in de buurt woonde.  Hij vond het zonde dat hij zijn eigen geld had gebruikt om zijn moeder en zusje op iets lekkers te trakteren. Toen hij de traktatie overhandigde eiste hij een dankjewel van zijn moeder. Hierop had zijn moeder te zeggen dat ze hem helemaal geen dankjewel verschuldigd was. ‘Jij zegt ook nooit dankjewel als ik kook of als ik je kleren was’, liet ze weten. 
Hij kondigde toen aan voortaan zijn eigen kleren te wassen. Ik onderdrukte een lach, terwijl ik zijn zusje die achter de computer zat in lach hoorde schieten. 'Ik was mijn eigen kleren voortaan wel.' Geloofde hij het zelf?
We liepen naar buiten en ik keek koesterend naar het schattige hondje dat ik van de straat had gehaald en aan hem had gegeven. Het beest leek nog meer op een straathond dan ooit, met een uitgemergeld lichaam,  verwaarloosde vacht en met teken die op hun gemak van zijn bloed snoepten. Zo goed zorgde hij dus voor het hondje dat hij zo graag had willen hebben.

Mijn ogen vulden zich constant met tranen die ik probeerde te verschuilen achter een grote grijns, zodra zijn moeder met me begon te praten. Ik voelde me teleurgesteld. Tegelijkertijd voelde ik me een verrader. Ik had voor mijn vriendje op moeten komen ook al betekende dit zijn moeder tegenspreken. Dit deed ik niet. .

Onderweg naar huis hing er een plaatselijke storm boven mijn hoofd.
Ik hoopte stiekempjes dat de bus zou verongelukken. Ik zou niet dood hoeven te gaan maar ik zou wel in het ziekenhuis terecht moeten komen. Hier zou ik dan maandenlang verzorgd en vertroeteld worden. En ik zou dan niets om anderen moeten geven.
Een andere manier om voorlopig van al deze kopzorgen af te zijn was als iemand het een mooie dag vond om in de wilde weg rond te gaan schieten. Ik hield de man die voor mij zat goed in de gaten. Hij stak zijn hand wel erg vaak in de zakken van zijn vest en zijn blik flitste heen en weer. Ik hoopte dat hij op een gegeven moment een pistool tevoorschijn zou toveren, de bus zou kapen enzovoorts, maar dit deed hij niet.
Ik bekokstoofde in mijn hoofd nog meer kwade plannen om bijna maar niet helemaal aan mijn eind te komen. Ik sprak met niemand en als iemand naast me plaatsnam keek ik heel opvallend uit het raam. Je kon het in Keulen horen donderen.
Ik merkte dat de buschauffeurs mijn wisselgeld achterhielden. Maar net zoals veel anderen dingen die om me heen gebeurden kon dat me op dat moment geen moer schelen. Ik wou naar huis.
Naast mijn snode plannen spookte er nog meer door mijn hoofd. Ik wist me geen raad meer met de situatie. Het was iets wat ik niet kon veranderen. Ik kon het niet verbeteren maar was er zelf in terecht gekomen.
 ‘Het is niet altijd oorlog bij ons thuis hoor’ had hij gezegd voordat ik het huis bezocht. 
‘Je bent altijd welkom’ zei zijn moeder toen ik het huis verliet. Ik kom nooit meer terug, dacht ik vastbesloten.

People who visited my blog